Studentenprotesten en punchlines

|

Thumbnail image for 1968-bookcover.jpg

door Philippe Dauphin

1968 was een gewelddadig jaar. De Vietnamoorlog escaleerde: het Tet-offensief kostte veel soldaten en burgers het leven, voor de ogen van tv-camera's executeerde de Zuid-Vietnamese generaal Nguyen Ngoc Loan koelbloedig een Vietcong-gevangene en in My Lai moordden Amerikaanse troepen een dorp uit. Over de hele wereld groeide de weerzin tegen oorlog. Ook in Europa en de VS waren gewelddadige conflicten: studentenprotesten in Frankrijk, Polen, Tsjechoslowakije, Mexico en verschillende steden in Amerika werden bruut neergeslagen omdat het gezag niet wist wat het ermee aan moest.

In Mexico Stad werd op het Tlatelolco-plein het vuur op een menigte vreedzame demonstranten geopend met veel doden als gevolg. In de VS vonden de moorden op senator en presidentskandidaat Robert Kennedy plaats en op dominee Martin Luther King, Jr. Bij deze moord volgde een explosie van rellen in een grote hoeveelheid Amerikaanse steden.

1968 was echter ook het jaar van de Flower Power en de hippies, van de psychedelische drugs, experimentele muziek en oosterse filosofiën. Het was een revolutionair jaar: de idealen van de babyboom-generatie kwamen tot wasdom en vonden een uitlaatklep in de studenten- en hippiebeweging. Het jaar heeft voor die generatie dan ook een haast magische betekenis.

De televisie ging een steeds belangrijker rol spelen in het nieuws, en hierdoor leek het of de protesten van de jongeren tot een universele epidemie uitgroeiden en er over de hele wereld ontevreden studenten demonstreerden. Tot voor kort waren er vooral academische studies over de economische en sociale oorzaken van de opkomende studenten- en mensenrechtenorganisaties en over de politieke consequenties van de demonstraties. Wat ontbrak, was een levendige optekening van de kleurrijke hoofdrolspelers uit dat jaar en van de opwinding. Dat verslag is er nu met 1968: The Year That Rocked The World.

Kurlansky was in 1968 twintig en student Theaterwetenschappen in Indiana. Naar eigen zeggen was hij een fervent deelnemer aan anti-oorlogsdemonstraties en het schrijven van het boek was voor hem dan ook een persoonlijke zaak. De lezer wordt in de inleiding van het boek gewaarschuwd voor enige vooringenomenheid: zijn generatie is er eentje "that hated the Vietnam War, protested against it, and had a vision of authority shaped by the memory of the peppery taste of tear gas and the way the police would slowly surround in casual flanking manouvres before moving in, club first, for the kill." Kurlanksy is bekend van een bestseller over de geschiedenis van zout, en van een boek over kabeljauw, wellicht voortspruitend uit zijn tijd als chef-kok. Hij was lange tijd internationaal correspondent voor verschillende kranten waaronder de International Herald Tribune. Die internationale ervaring komt hem van pas in het beschrijven van de gebeurtenissen van 1968.

1968 leest als een roman met verschillende verhaallijnen en hoofdpersonages. De eerste hoofdstukken schetsen de toenmalige politieke en sociale situatie in landen als Frankrijk, de VS, Tsjechoslowakije, Polen. Hier ontmoeten we de sleutelspelers: gezagsdragers als Charles DeGaulle, Alexander Dubček, Lyndon B. Johnson maar ook dissidenten als Martin Luther King, Jr. en de hippie Abbie Hofffman. Kurlansky dwingt de lezer zich tot de hoofdpersonen van 1968 te verhouden. Zo wordt Alexander Dubček neergezet als een tragische held; hij zette zich met een tomeloze energie in voor meer vrijheden voor zijn volk, maar werd uiteindelijk door de Sovjet-Unie tot aftreden gedwongen.

Deze vorm geeft het boek soms het karakter van een soap. Door het hele boek heen beweegt Kurlansky zich van brandhaard naar brandhaard en wordt er snel geschakeld tussen de gebeurtenissen in verschillende landen. Kurlansky heeft er slim voor gekozen de gebeurtenissen niet per land of per thema te bespreken, maar ze te verwerken in een chronologisch verhaal waarbij we, nadat we geïnformeerd worden over de rellen in Chicago weer binnenvallen bij Alexander Dubček die zijn handen vol heeft met de Sovjet-invasie van Tsjechoslowakije. Het voordeel van deze benadering is dat je meegezogen wordt in de turbulentie van het jaar. Aan het einde valt de winter, zijn de spanningen afgekoeld en kijken we "sadder and wiser" achterom.

Niet alleen Kurlansky's vertelvorm is pakkend, ook zijn stijl is helder en meeslepend. Hij maakt veelvuldig gebruik van anekdotes en heeft oog voor zowel grote gebeurtenissen als voor kleine, insignificante intermezzo's. Daarmee worden de karakters van de hoofdrolspelers ingekleurd. Als Daniel Cohn-Bendit, een van de bekendste Franse studentenleiders, bijvoorbeeld wordt geïntroduceerd, krijgen we de volgende anekdote. Toen de minister van Jeugdzaken Francois Missoffe de Universiteit van Nanterre bezocht, raakte hij in gesprek met Cohn-Bendit. Deze dreef Missoffe tot wanhoop door herhaaldelijk te vragen wat de minister vond van de seksuele problematiek van de jeugd. Missoffe verloor uiteindelijk zijn geduld en vertelde Cohn-Bendit dat het niet gek was dat iemand met zo'n gezicht problemen had, en dat hij maar eens een duik in het zwembad moest nemen. Cohn-Bendit: "Dat antwoord is Hitler's minister van Jeugdzaken waardig." Dit verhaal verspreidde zich als een lopend vuurtje en vestigde Cohn-Bendits reputatie.

Kurlansky sluit een alinea vaak af met een punchline. Een van zijn favoriete quotes is "Up against the wall, motherfucker, this is a stickup!", een regel uit het gedicht Black People (1967) van dichter en burgerrechtenactivist Leroi Jones, later bekend als Amiri Baraka. Oorspronkelijk bedoeld als zwart verzet tegen de blanke overheersing, werd deze quote in 1968 een symbool voor het verzet tegen de leiding van de universiteit en de overheid. Tijdens de studentenprotesten op de universiteit van Columbia gebruikte de studentenleider Mark Rudd de regel als afsluiter in zijn brief aan rector magnificus Grayson Kirk.

Naast zulke gepeperde uitspraken laat Kurlansky een paar opvallende types herhaaldelijk opdraven. Iemand als Allen Ginsberg. Ginsberg speelde dan wel geen doorslaggevende rol in 1968, maar hij leek overal op de een of andere manier bij betrokken. Ginsberg (1926-1997) was een populair dichter, een bekende anti-oorlog activist en een tot het boeddhisme bekeerde homoseksuele jood. Hij reisde de hele wereld rond om zijn boodschap te verspreiden en voor studenten in Oost-Europa werd hij een toonbeeld van Westerse vrijheid. Zo was Ginsberg in 1965 in Praag en later dat jaar ging hij op bezoek bij Fidel Castro op Cuba.

chicago_1968.jpg
Democratische Nationale Conventie in Chicago 1968.
 

In 1968 liet hij zich zien bij de demonstraties tijdens de Democratische Nationale Conventie in Chicago. De drie dagende durende bijeenkomst werd opgesierd door de kleurrijke protesten van tienduizend anti-oorlogsdemonstranten. Kort voor het einde werd een demonstratie voor het Hilton Hotel, waar veel prominente democraten verbleven, met bruut geweld door de politie en de Nationale Garde beëindigd. Protesterende studenten, jongeren en onschuldige omstanders werden met traangas bestookt, neergeslagen en weggesleept. Het incident werd zeventien minuten lang opgenomen door een beveiligingscamera en direct uitgezonden, een vroeg en pakkend voorbeeld van de invloed van beeld op het nieuws. Tijdens al deze protesten en ludieke activiteiten liep Ginsberg door Chicago rond, en zong de mantra OM om politie en jongeren vredig te stemmen.

Zulke details slepen je moeiteloos door de vloedgolf van informatie heen. Het is geen overbodige luxe voor wie onbekend is met het jaar 1968 om met een gevoel van herkenning Allen Ginsberg weer te zien opdoemen, zingend of predikend over hallucinogene drugs.

Maar de sterke punten van 1968 zijn tegelijk de zwaktes. Doordat Kurlansky zo gepassioneerd over de studentenprotesten schrijft, wordt al snel duidelijk wie er in 1968 de helden waren en wie de slechterikken. Regeringsleiders zoals Charles de Gaulle en Lyndon B. Johnson zijn bijna per definitie fout en de anti-autoritaire demonstranten heroïsche figuren. Het boek is nostalgisch en romantiserend over de babyboom-generatie. Kurlansky noemt 1968 uniek vanwege vier factoren: de opmars van de burgerrechtenbeweging, het anti-autoritaire karakter van de studentenbeweging, het verzet en de rebellie tegen de Vietnam-oorlog over de gehele wereld en het feit dat de televisie een belangrijke politieke rol ging spelen, maar nog niet zo gemanipuleerd werd als tegenwoordig.

De focus ligt echter op de studentenbeweging, haar idealen en haar leiders. Voormannen als Mark Rudd en Daniel Cohn-Bendit worden op een voetstuk geplaatst en de eensgezindheid tussen de studenten benadrukt. Dat de leiders eigenlijk helemaal geen leiders wilden zijn vanwege het anti-autoritaire karakter van de groeperingen en dat het nemen van simpele beslissingen soms een eindeloos gedoe werd, laat Kurlansky achterwege.

De enige positief beschreven autoriteiten zijn Alexander Dubček, nieuwspresentator Walter Cronkite en Robert Kennedy. Voor de biografie van Dubček trekt Kurlansky vier pagina's uit; een gebeurtenis als de Culturele Revolutie in China moet het doen met de helft. De enige eerstehands informatie van Kurlansky bestaat uit de ooggetuigenverslagen van Rudd en Cronkite, die hij voor het boek interviewde.

Het is jammer dat Kurlansky zich zo weinig op de Amerikaanse burgerrechtenbeweging richt. Die speelt een grote rol in de eerste hoofdstukken, maar na de moord op Martin Luther King blijft het opmerkelijk stil over het verdere verloop van de zwarte burgerrechtenbewegingen. Met de komst van personen als Stokely Carmichael en Leroi Jones en een organisatie als de Black Panthers ( met de leus "Black Power") werden de protesten namelijk steeds agressiever en gewelddadiger. Het kookpunt werd bereikt na de moord op King op 4 april, toen er rellen uitbraken in honderd Amerikaanse steden. Bij deze uitbarsting van geweld blijft Kurlansky maar even stilstaan en hij komt er niet meer op terug.

worldpressphoto1968thumb.jpg
Zuid-Vietnam 1968. Verdacht Vietcong-lid wordt geëxecuteerd.
 


Ook de opmars van de vrouwenbeweging in Duitsland en Polen en van de homorechtenorganisaties in de VS komt in het boek niet voor. Verder wijdt Kurlansky niet te veel uit over de Vietnam-oorlog: toch een van de belangrijkste aanjagers en mikpunten van de protesten. Natuurlijk is er al veel over geschreven en Kurlansky kan daar weinig aan toevoegen, maar zo blijft hij te veel aan de oppervlakte. Voor Kurlansky was het protest tegen de oorlog in Vietnam universeel, maar in zijn boek zien we alleen het verzet in de VS.

Kurlanksy schiet verder analytisch tekort. De demonstraties op de universiteiten gingen over trivialiteiten, maar liepen zo uit de hand omdat deze schijnbaar onschuldige meningsverschillen uitdrukking gaven aan een dieper liggend gevoel onder de studenten. Waarom nou juist studenten en jongeren en waarom in dat jaar? Kurlanksy staat niet stil bij dit soort vragen. Hij doet er goed aan niet alle protesten met elkaar te vergelijken en op een hoop te gooien, maar ze gaven wel uitdrukking aan een universeel gevoel waar Kurlansky verder niet over nadenkt. Paul Berman stelt in zijn studie van de politieke generatie van de jaren 60, A Tale of Two Utopias (1996), dat de studentenbeweging van1968 een reactie was op de Tweede Wereldoorlog. In de westerse wereld was er vrede en leefden de jongeren in een veilige wereld. Ze hadden het goed. Een beetje te goed, vergeleken met hun ouders die in de Tweede Wereldoorlog vreselijke dingen doorstaan hadden en in de ogen van hun kinderen een heldenstatus hadden.

Dit leidde tot gemengde gevoelens van trots en jaloezie. Trots om wat hun ouders gepresteerd hadden en jaloezie omdat de jongeren beseften dat ze niets hadden om te verbeteren of om tegen te strijden. Vandaar dat tieners en studenten zich gingen richten op die plaatsen in de wereld waar mensen niet in vrede en veiligheid leefden. Zo probeerden ze hun solidariteit te tonen en de aandacht te vestigen op onrechtvaardige situaties als de oorlog in Vietnam. Dit uitte zich in protesten en demonstraties. Het is niet gek dat in de studentenprotestbewegingen joodse studenten een onevenredig grote rol speelden.

Kurlansky's afkeer jegens autoriteiten komt te veel uit de lucht vallen. Zijn boek is groots in opzet, maar is te beperkt omdat het blijft steken in de visie van de schrijver. Zijn snelle switchen is eerder een middel om een huidige generatie lezers bij de les te houden dan een methode die inzicht biedt. Het probeert te veel een boek van deze tijd te zijn: achterflappen staan tegenwoordig vol met aanprijzingen uit recensies, en haast altijd lijkt voorop te staan dat boeken "snel" lezen of "bijzonder leesbaar" zijn.

Ondanks dit alles is 1968 een rijke kroniek van een jaar waarin iedereen in actie leek te komen voor zijn idealen. Kurlansky sleept de lezer mee naar het front en geeft je het idee dat je in een campuskamertje met lavalamp, Che Guevara-poster en psychedelische muziek op de achtergrond zit te luisteren naar het verhaal van een student die gisteren nog op de barricades stond. Voor jongeren was het jaar het begin van de seksuele revolutie en een bevrijding uit de naoorlogse maatschappij, samengebald in slogans als "de verbeelding aan de macht". Er ontstond een besef van de kracht van het individu tegen de gevestigde waarden en zelden werden er in een jaar meer taboes gebroken en vrijheden verworven. Dat is de boodschap van dit boek. En wat maakt die overdosis sympathie voor studentenbewegingen uit als we nu nog de vruchten plukken van de toen bevochten vrijheden?

Recensie van Mark Kurlanksy, 1968: The Year That Rocked The World. Random House, 2004, 441 pagina's

About this Entry

This page contains a single entry by André Koehorst published on April 13, 2009 2:58 PM.

By the book or buy a book? was the previous entry in this blog.

Bush's Legacy: Obama's Salvation? is the next entry in this blog.